P-waarde

Zoals vroeger al werd bericht werd door de Nationale Commissie Tandartsen Ziekenfondsen (NCTZ) gekozen om de outliers aan te pakken via het instellen van een plafonnering, ondanks het verzet van een groot deel van de leden van de tandartsenbank. Het voorstel werd met de kleinst mogelijke meerderheid door de tandartsenafvaardiging aanvaard, hetgeen aantoont hoe diep de verdeeldheid was. De TTR  moest met deze opdracht van het NCTZ een plafonneringsvoorstel uitwerken voor 1 mei om een halve indexverhoging te redden.

De VBT heeft in de NCTZ van 24.04.2012 tegen het systeem van plafonnering gestemd en wel om de volgende redenen:

  •  Het systeem van plafonnering is een regelrechte aanfluiting  van en onverenigbaar met de principes van het vrij beroep. Extra regelneverij is nu net het laatste wat wij nodig hebben. Dit systeem zal weer een extra administratieve belasting betekenen voor alle tandartsen en zal dus ook u, als goed menende en correct werkende tandarts treffen. 
  • Het systeem van plafonnering werd niet ontwikkeld op basis van een grondige studie, maar er werd wat gegoocheld met enkele cijfers en na veel natte vingerwerk werd een zogenaamde P- waarde toegekend aan elke verstrekking van artikel 5 (raadplegingen, preventie, extracties, parodontologie, conserverende zorg, orthodontie, prothese, orale implantaten en radiologie), de prestaties uit artikel 14L (Stomatologie) vallen erbuiten.  
    Erger nog: in de bepaling van de P-waarde wordt letterlijk gezegd dat ze "gemoduleerd is in functie van het aandeel van de materiaalkost". Dat wil zeggen dat van hogerhand nu zwart op wit wordt vastgesteld, voor elke Belgische tandarts, wat het deel is van de materiaalkosten in zijn of haar geleverde prestaties. Hier wordt gewoon voorbijgegaan aan het feit dat de materiaalkosten van praktijk tot praktijk verschillend zijn, afhankelijk van de praktijkvoering.
  • Het systeem zoals het nu is ontworpen gaat met de botte hakbijl de tandarts te lijf. In de oorspronkelijke opdracht van de NCTZ aan de TTR (dit is de instantie die de nomenclatuuraanpassing moest voorbereiden om de plafonnering in te stellen) was nochtans duidelijk gesteld dat dit niet het geval mocht zijn. In die bewuste opdracht staat letterlijk: " Dit moet ertoe leiden dat DGEC, na onderzoek van de gemiddelde omzet van de tandheelkundige per dag en van de realiteit en de conformiteit van de vertrekkingen met de nomenclatuur, het deel dat het plafond overschrijdt terug kan vorderen van de zorgverlener."
    Er stond dus ingebouwd dat de tandarts recht had op een onderzoek en dus ook de kans kreeg om zich te verdedigen tegen onterechte aantijgingen. Het vermoeden van onschuld met andere woorden. In het voorstel van de TTR naar de NCTZ is van dat recht op verdediging en vermoeden van onschuld niets meer te merken, integendeel: met de nu door de NCTZ aanvaarde tekst krijgt de DGEC een wapen in handen waardoor de DGEC tegenover u zowel rechter als jury als beul kan spelen. De rechten van de verdediging worden hier met de voeten getreden, een rechtstaat onwaardig.
    Je zal maar een hardwerkende tandarts zijn met een goed georganiseerde praktijk of werkend op verschillende stoelen. Je gemiddelde P-waarde wordt bekeken gedurende een periode van minstens 30 werkdagen en wanneer die de arbitrair en op geen enkel objectief criterium gestoelde, vastgestelde grens overschrijdt wordt je automatisch gemerkt als "outlier", fraudeur met andere woorden in de ogen van het RIZIV en gaat de DGEC machine in werking. Naast het terugvorderen van de overschrijding van het plafond dat automatisch doorgaat, zonder mogelijkheid van verweer van uw kant, krijg je dan als extra sanctie ook nog eens de "gewone" doorlichting op conformiteit van de DGEC voorgeschoteld, met o.a. onderzoek bij je patiënten zodat ook die op de hoogte kunnen worden gebracht van welke asociale fraudeur je eigenlijk wel bent: wat een nachtmerrie…
  • Wij vinden het onaanvaardbaar dat een dienst zoals de DGEC die speciaal in het leven werd geroepen om fraude op te sporen en te counteren, die opdracht afwentelt op het voltallig beroep en niet in staat blijkt om de nodige middelen zelf te ontwikkelen om zijn taak te vervullen.
  • Wij vinden het onaanvaardbaar dat voor het aanpakken van een veertigtal  superfraudeurs, die geïdentificeerd  en bekend zijn  bij de DGEC het volledig beroep onderworpen wordt aan een draak van een maatregel: vanaf nu en voor de rest van zijn of haar loopbaan zal iedere tandarts gedoemd zijn om zijn of haar gemiddelde P-waarde in de gaten te houden, om niet per ongeluk voor de ganse goegemeente als hardcore fraudeur gebrandmerkt te worden. Dit in plaats van zich te kunnen bezighouden met zijn of haar core business: het verzorgen van de patiënten. Van een hypotheek op het beroep gesproken!


De VBT heeft getracht de schade te beperken door de arbitrair gekozen gemiddelde P-waarde per dag en  de totale P-waarde per jaar  zo hoog mogelijk te stellen. We werden daarin gelukkig gevolgd door de bank van de ziekenfondsen, die ook met zoveel woorden toegaven dat dit systeem verre van ideaal is en dat de tandartsen in hoge mate afhankelijk zullen zijn van de goodwill van de DGEC om dit wapen niet tegen het beroep te gebruiken.


De voorstanders van het systeem zullen u trachten wijs te maken dat enkel de fraudeurs zullen geconfronteerd worden met de gevolgen van deze nomenclatuurwijziging, en heel misschien (en hopelijk) hebben ze gelijk, maar als beroep hebben we hier geen enkele garantie over gekregen. Wel integendeel: de draak van plafonnering zal gebetonneerd worden in de tandheelkundige nomenclatuur, tenzij het Verzekeringscomité, waar   veel  vertegenwoordigers van de andere zorgverleners in zetelen dit voorstel verwijst naar waar het thuishoort: in de papiermand!  
Door onze bekommernis om het vrij beroep te vrijwaren worden wij in ons verzet tegen de plafonnering volledig  gesteund door de andere medische sectoren.


In het andere geval hebben de voorstanders van dit systeem een eeuwigdurende hypotheek genomen op uw toekomst en de toekomst van de komende generaties tandartsen in België, enkel en alleen om vandaag een indexering veilig te stellen van amper 1,4%. Want let wel: voor deze keer is de VBT erin geslaagd de hoogte van de gemiddelde P-waarde per dag hoog te laten leggen, wat er in de toekomst te gebeuren staat met die waardebepaling, daar heeft iedereen het raden naar…

Reden te meer om te blijven ijveren en zelfs het versterken van het huidig aanwezige pluralisme in de beroepsverdediging.

U heeft alvast de belofte van de VBT dat wij blijven vechten voor u en de toekomst van de tandheelkunde.

================================================


Om heel de plafonnering te verduidelijken geven we u hierbij de werkwijze hoe de P-waarde wordt berekend en de volledige lijst van de P-waarden zoals die in de nomenclatuur zal opgenomen worden.

  •  De berekening:
    We vertrekken vanuit het conventiehonorarium 2010. 
    Om geen problemen te hebben met de L,K en N-waarden werd een nieuwe waarde, namelijk de P-waarde, toegekend aan alle prestaties van artikel 5.
    Deze P-waarde wordt bepaald door het conventiehonorarium van de prestatie te delen door het conventiehonorarium van de tweede intra -buccale radiografie (6,98 = de laagste nominale waarde in de conventiehonoraria). Er is ook "rekening" gehouden met de materiaalkost (arbitrair)van de verschillende prestaties door het invoeren van een ratio (R)**. Dit is een coëfficiënt die verschillend kan zijn afhankelijk van de prestatie(bvb voor conserverende is de R= 0,8). Jammer genoeg is deze ratio puur natte vingerwerk, zonder enige studie, maar wordt deze kostenstructuur van overheidswege voor eens en altijd opgelegd.

    P=(conventiehonorarium 2010 van de prestatie)/(conventiehonorarium van de tweede intra -buccale radiografie) x R

    Enkele voorbeelden:

    304415 (drievlaksvulling of meer op blijvende tanden = 18 jaar): de P-waarde is gelijk aan 6
    Hoe wordt dit berekend?

    P=(54,82 (conventiehonorarium 304415))/(6,98 (conventiehonorarium tweede cliché) ) x  0,8 = 6,28
    Er wordt afgerond naar gehele getallen zodat we in dit geval aan 6 komen.

    306935 (volledige onderprothese):   Voor prothese is de R= 0,5

    P=(526,61 (conventiehonorarium 306935))/(6,98 (conventiehonorarium tweede cliché) ) x 0,5 = 37,72.
     Hier wordt de P waarde afgerond naar 38.
  • De waarden van de plafonnering:

    De jaarplafonnering is vastgelegd op 45.000 P waarden hetgeen overeenkomt met 315.000 euro aan terugbetaalde prestaties uit de nomenclatuur.

    De dagplafonnering is vastgelegd op 200 P per werkdag.

    Er is een minimumactiviteit van 6 verstrekkingen nodig opdat een werkdag in aanmerking wordt genomen voor de berekening van het daggemiddelde. Er zullen steekproeven gedaan worden over een gegeven periode die niet korter mag zijn dan 30 werkdagen (let op: MINIMUM 30 dagen).
  •  Aanpakken van de outliers:

    De VBT is het absoluut eens dat  de veelverbruikers (versta fraudeurs) moeten aangepakt worden en bieden onze volledige medewerking aan het RIZIV en de DGEC om naar oplossingen te zoeken. Maar een plafonnering zoals die nu voorligt zonder enige garanties en duidelijke afspraken is onaanvaardbaar!
    Wij wachten op een signaal van het RIZIV en de DGEC!

Vragen over de plafonnering: U kan met al uw vragen terecht op vragen@vbt.be, wij zullen ons best doen om u wegwijs te maken in deze historische vergissing.


(**) Een Ratio-waarde 1 wordt toegekend aan heel wat prestaties zoals o.a. raadplegingen, paro, ortho en radiologie. Dit wil zeggen dat hierdoor gesteld wordt dat voor deze prestaties geen of verwaarloosbare werkingskosten gemaakt dienen te worden… Wat dan met de alsmaar stijgende kosten voor hygiënemaatregelen in de tandartspraktijk? Maatregelen die in de nabije toekomst nog gaan verscherpt worden? Wat met de algemene kosten van een praktijk die toch over alle patiënten en dus ook over alle prestaties dienen verrekend te worden?